Spiegel

Zonder meer te weten wat de aanleiding was, dommelde ik weg in de gedachte dat ik eigenlijk het liefste zou willen oplossen in taal. Dat ik alleen zou bestaan als ik schrijf. Niet omdat ik ergens voor wil vluchten, maar uit liefde voor deze vorm. Blinde liefde.

In Groningen was ik eens verliefd op een meisje. Ik had haar ontmoet tijdens het uitgaan en haar adres gevraagd. Een paar dagen later, vlak voor ik bij haar aanbelde op de Meeuwerderweg, poepte een vogel op mijn hoofd. Een meeuw waarschijnlijk. In haar keuken waste ik mijn hoofd weer schoon. Totaal onbelangrijk, die poep, maar ik kon het niet laten liggen.

Toen ik de keer daarop aanbelde, een paar dagen later, zei ze dat ik wel binnen mocht komen, maar dat ze al bezoek had. In plaats van rechtsomkeert te maken, ging ik toch naar binnen, blind als ik was.

Bleek dat op haar kamer nog een aanbidder zat. Alsof dat nog niet erg genoeg was, vertelde ze vrolijk, toen ik goed en wel zat, dat hij ook een dichter was. De klootzak.

Vele jaren later, ik woonde inmiddels in Amsterdam, ging ik naar een schrijfmiddag op de UVA met allemaal wannabee schrijvers en dichters. Eén van de sprekers was die loser uit Groningen. Ik probeerde een paar keer contact te maken met hem over onze gezamenlijke achtergrond en dat meisje, maar hij hapte niet. Waarom was me onduidelijk. Alhoewel we geen van beide met het meisje ervandoor gingen, had hij de onderlinge dichtwedstrijd met verve gewonnen, waarom mij dan nog ontkennen? Iemand niet erkennen doet pijn, dat zal u bekend zijn.

In mijn boekenkast ligt nog steeds een dichtbundel van hem. Een van zijn gedichten heet De man van Taal. Was ik destijds in Groningen toen hij naast me zat in de kamer van dat meisje al ziek van jaloezie, toen ik de eerste keer dat gedicht las, wilde ik hem wel vermoorden. De man van taal, geniaal in zijn eenvoud. Waarom ìk dat niet bedacht heb, was me zowel een gruwel als een raadsel.

Het maakt nu niet meer uit. Terwijl jullie gedachten afdwaalden naar Groningen, het meisje en de poep, was ik in de tussentijd bezig taal te worden. Zo hard als staal, wilde ik bijna zeggen, maar ik kon me nog net inhouden.

En het rare is, nu ik taal ben geworden, dat het eigenlijk niet voldoet aan de verwachtingen. Het klopt niet. Ik mis iets. En niet om jullie te vleien, maar gewoon eerlijk, ik mis jullie reactie vooral.

Ik zou het liefst zinnen willen maken die konden kijken.

Want het hoogste goed is natuurlijk als mijn taal u zou troosten. Dan zou ik met een gerust hart kunnen sterven.

Dus deze man van taal komt op het einde tot de conclusie dat hij zinnen moet maken die jullie naar de strot vliegen.

God wat ben ik blij dat ik geen dichter ben.

P.s. Geloof het of niet: vandaag kreeg ik een klodder in mijn nek van een of andere vreemde vogel. Zou God dan toch bestaan?

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.