Rood

Ik fietste in de stromende regen in Amsterdam Zuid, op de Apollolaan. Ondanks het regenpak stroomde het hemelwater via mijn hak in mijn schoen. Onbelangrijk maar irritant. Ik moest me ertoe zetten niet te gaan vloeken.

Ik stopte bij een kruising. Bij het zebrapad rechts van me stond een man met een grote paraplu. Een fraaie tas hing naast zijn zij. Stoppelbaard, jaar of zestig. Een stel dat eerst naast hem had gestaan, stak over. Toen zij halverwege waren, riep hij: ‘Het is rood hoor!’ Het stel liep door.

‘Het is roo-ood !’ riep hij nu een stuk luider.

Het stel had de overkant inmiddels bereikt. De man en vrouw waren druk aan het praten en hielden hun hoofden dicht tegen elkaar aan, onder de paraplu. Het was bijna romantisch.

‘Rood!!’ schreeuwde de man uit volle borst. Hij pakte de paraplu over in de andere hand en keek onze kant op. Ik moest lachen. Kort daarna sprong ons licht op groen.

Terwijl ik bij het volgende stoplicht de pijp van de regenbroek aan het verleggen was, vroeg ik me af of de man dat vaker deed: anderen de les lezen.

Of had hij die aandrang al talloze keren gehad en nu voor het eerst de frustratie de vrije lucht gegeven? Had hij daarom opzij gekeken? Of zocht hij steun bij ons? Zo van: ik zeg het tenminste, lafaards.

Vergeefse moeite, zou je zeggen, vreemden op het rechte pad krijgen.

Had de man stiekem gehoopt op een botbrekende aanrijding? Dat hij dan triomfantelijk in een van hun bange gezichten had kunnen zeggen: ‘Ik zei toch: rood’.

Of is het stel dat doorliep het CDA, de CU en de VVD en D66 hun paraplu? En wij de man die riep:

‘Het is rood hoor!’

Ik zou er grommend in gedachten nog aan toevoegen:

Godallejezus.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.