Redding

Er was een tijd dat ik mijn dochter op een simpele manier ergens van overtuigen kon. Voor een betweterig persoon als ik was dat natuurlijk genieten geblazen. Ik kan me herinneren dat ik haar soms onzin verkocht, zo bleek achteraf, maar ja, als je eenmaal het pad opgaat van een stelling dan is het lastig terugkeren, ook al heb je niet al te lang nagedacht over die stelling en wankelt de opbouw aan alle kanten. Vlakbij de top is er echter geen omkeren meer aan, dan moet je je punt maken, al zitten de zinnige tegenwerpingen als eenkennige kinderen aan je enkels te sleuren. Pas na het toppunt zul je mij een keer horen zeggen, “Ja, dat zou misschien ook kunnen. Laat nu maar los.”
Tegenwoordig is het bij mijn dochter haast omgekeerd: nog voordat ik mijn punt helemaal heb kunnen maken, is ze het al met me oneens. Teneur in deze discussies is steevast dat haar geen blaam treft. Voor iemand die meestal gelijk heeft, zoals ik, is dat natuurlijk niet te pruimen.

Vanochtend was het weer zover. Ik raakte de avond ervoor oververhit omdat zij met haar neefje in zee was gaan zwemmen zonder mij op de hoogte te stellen. We waren op de terugweg naar de camping en ik had mijn waardevolle spullen bij iemand gestald. Nadat ik de spullen terug had gekregen draaide ik me om en waren ze van de radar verdwenen. Een golf paniek vermengd met een dosis ergernis spoelde aan in mijn hart. Ze zouden toch niet..
Aan de hand van de ratio sjokte ik terug naar de branding. Ik veronderstelde dat ze door waren gelopen langs de vloedlijn om mij te stangen omdat zij het er niet mee eens waren dat we teruggingen terwijl het zo’n bijzondere (warme) avond was. Daar hadden ze gelijk in, het was bijna half tien en het strand lag nog bezaaid met klamme badgasten. De kinderen van de camping hadden een sleepnet voortgetrokken, een paard stond tot buikhoogte in de zee af te koelen, een mooi gezicht vooral toen het in één lijn kwam te staan met de zon waardoor zijn silhouet precies in die donkere oranje bol kwam te staan, zijn neus raakte de cirkel aan de oostkant zijn staart de westkant. Een ansichtkaart op zich. Maar ik had geen camera bij me, ook iets waarover ik me al opwond.
Ik keek om me heen, langs middelbare buiken die heen en weer kabbelden als dooie kwallen in de vloedlijn. Mijn zoontje van vier vroeg waarom we weer terugliepen. Ik gaf hem de reden en hij zei dat ze aan het zwemmen waren. Dat geloofde ik niet, maar hij had gelijk, zag ik kort daarna. Mijn dochter en haar neefje waren best ver het water in gegaan. Toen ze aan land kwamen brandde ik los tegen mijn dochter hoe ze het in haar hoofd haalde om zonder iets te zeggen de zee in was gegaan. Of ze helemaal gek was geworden, foeterde ik. Ze zei iets van vijf keer sorry. De schrik puilde uit haar ogen.

De volgende ochtend kwam ik op het voorval terug. Tijdens een knuffel wilde ik nog van haar horen of ze wel begreep waarom ik gisteren zo boos werd op het strand. Joost mag weten waarom maar na een aanvankelijke instemming kantelde haar mening dat zij heel vaak zonder dat ik of haar moeder het wist aan het zwemmen was. Klinkklare nonsens, maar ze hield voet bij stuk.
“We weten het altijd als je de zee ingaat,” zei ik op luide toon.
“Nietes,” riep ze, “ik ga de hele tijd erin als je het niet weet!”
We lieten elkaar abrupt los. Waren dit de eerste tekenen van een ophanden zijnde helse puberale periode? Of werd deze anti-houding losgeweekt doordat ik iets te graag een opvoedkundig punt wilde maken? Dat zij dat doorhad en intuïtief ertegenin ging? Of zat het gewoon in de genen en zagen die nu hun kans schoon om mijn dochter te beïnvloeden?
Kennelijk werd er bij mij ook iets wezenlijks geraakt want ik gaf haar kinderachtig te kennen dat ik het aan haar mama zou voorleggen en we dan wel zouden zien wie gelijk had.
Ik zag voor me hoe ik haar de volgende dag heel recalcitrant op het strand zou toevoegen:
“Je moet zo ver mogelijk de zee in. Eerder mag je niet terugkomen.”

Het werd episch. Daar ging ze, als een Dolle Mina. Ze liep dwars door de hoge golven heen die wit op haar uiteen spatten als een spatelslag in een bergje meel. Ik glimlachte ongemakkelijk; wat een machtig gezicht, maar ze moet natuurlijk niet overdrijven. Ze dook en zette een borstcrawl in. Haar benen stampten zich voort als een buitenboordmotor. Het duurde niet lang of een paar mensen riepen iets van de kant, een paar bij de vloedlijn begonnen te zwaaien. Ze maakten allemaal de bekende gebaren dat je moet terugkeren.
Ik vloekte, maar voordat ik er erg in had galoppeerde ik op het paard dat ik de avond daarvoor nog als silhouet in de zon had zien figureren. Ik spoorde het paard hard in de flanken aan, met mijn slippers. Godallemachtig, wat was ik heldhaftig. Jolly Jumper en ik stormden op het spoor af dat mijn dochter in de zee trok als een veerboot. Onder luid gejoel bereikten we de branding. Bij de eerste de beste hoge golf gooide Jolly Jumper prompt zijn voorankers uit, zo jolly jumpte hij dus niet, en werd ik in een wijde boog over het paard heen geslingerd. Een koude douche, mag ik wel zeggen. Het kostte me enige sekonden om me te vergewissen welke kant ik op moest zwemmen. Opeens zag ik een oranje boot vlakbij, handen werden naar me uitgestoken en voordat ik iets kon zeggen lag ik een rubberen reddingsboot als een spartelende tonijn. Ik stond op, gleed uit, stond weer op en schreeuwde naar de einder: Mijn dochter! Snel! Anders verdrinkt ze! Kijk! Daar!
De boot maakte een paar rondjes als zat ik in een kermisattractie. “Daar!” riep ik weer met overslaande stem. In een ooghoek zag ik het paard bij de branding steigeren. Ook hij vond het kennelijk te lang duren. “Waar?!” hoorde ik om me heen. Nogmaals wees ik naar de plek waar ik zwemslagen meende te zien, een paar honderd meter verderop, iets oostelijker dan we nu waren. De motor brulde en we werden naar achteren gedrukt. Ik hield me vast aan het touw dat over de rand hing. Een reddingswerker ging voorop staan en hield zich staande met een touw. Hij schreeuwde dat hij ook iets zag. De roerganger trok het gas helemaal open waardoor het opspattende water in mijn gezicht striemde als zweepslagen. Nu werd ik naar voren geduwd door een of andere natuurwet toen het gas eraf ging. Weer maakten we een misselijkmakend rondje met om de sekonde drie meter hoogteverschil. Ik kwam overeind. Zonder te vragen waarom er niks werd gedaan dook ik stijlvol het water in en maakte een paar krachtige slagen recht naar beneden.
Niks.
Ik snakte naar adem en maakte een paar slagen met mijn benen en zwaaide met mijn armen. Als een Godswonder voelde ik een arm, overduidelijk de zachte arm van mijn dochter, maar het was ook overduidelijk dat er weinig leven meer in zat.
Ik vervloekte mezelf terwijl ik steeds meer dochter in mijn handen kreeg. Boven het water aangekomen duurde het niet lang voordat we in de rubberen boot lagen.
De vrouwelijke reddingswerker begon na een snelle analyse met reanimatie terwijl ik hevig hijgend toekeek, rustend met mijn hoofd tegen de bolling van de zijkant. Zo sterk als ze het water in was gelopen, zo fragiel zag ze er nu uit. De dood leek al vat op haar te hebben. Ik kwam wat overeind omdat het zo lang duurde voordat ze een teken van leven gaf. De vrouw die met haar longinhoud in de weer was, keek me even aan. Ik zag dat ze er niet gerust op was of het wel goed zou komen.
Terwijl het schuldgevoel als een basaltblok mijn buik binnenwalsde, kwam ik overeind en knielde bij haar neer.
“Doe me dit niet aan,” jammerde ik, „zo bedoelde ik het niet! Toe, doe nou niet zo stom. Haal verdomme nou adem!”
Ik voelde een arm van de vrouw op mijn schouder die ik van me afgooide. Als een volleerd EHBO-er liet ik hoge voltages los op haar hart en blies zuurstof in haar longen, maar ze gaf geen krimp, leek alleen maar kouder en blauwer te worden.
Het zou misschien niet mogen maar ik pakte haar iele schouders beet en schudde er hard aan waardoor haar hoofd op de harde kunststof bodemplaat botste.
“Meneer,” hoorde ik achter me, “misschien moet u..”
“Wordt nou wakker! Kom op,” riep ik in haar oor, ”zo bedoelde ik het toch niet?”
Maar je zei toch zelf dat ik zo ver als mogelijk moest gaan, hoorde ik in gedachten. Dat het eigenlijk mijn eigen schuld was, wilde ze maar zeggen.

“Ieuw,” klonk het dichtbij. Ik knipperde met mijn ogen en vroeg mijn dochter hevig gapend wat er was.
“Je hebt allemaal kwijl op je t-shirt, bah”.
Met mijn linkerhand veegde ik het weg van mijn schouder en kwam met een kreun overeind. De zon brandde nog na in mijn linkeroor en hals.
“Wat droomde je papa?”
“Eh.. Ik droomde dat ik je moest redden uit de zee,” zei ik met een glimlach.
“Echt?”
“Ja, echt.”
“Cool.”
Ik knikte.
“Nou, ik ga weer in de zee. Ga je met me mee?”
“Eh.. ja, is goed.”
“Gaan we dan weer ver?”
“Ja, zo ver als we kunnen.”
“Yeah!”

Terwijl we naar het water renden herinnerde ik me de discussie op de fiets van vanmiddag. Dat je niet zowel omhoog als naar beneden kon.
“Dat kan wel,” zei ze.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.