Raak

Gisterochtend werd ik wakker met de mededeling dat Eberhard van der Laan was overleden. Die heeft dan nog lang doorgewerkt, was het eerste dat ik dacht.

De hele dag had ik het te druk om nieuwsberichten erover te gaan lezen of kijken. Misschien zou het allemaal overwaaien. Pas bij het achtuurjournaal kon ik er even voor gaan zitten. Het duurde niet lang voordat ik mijn tranen zat tegen te houden.

Ik herinner me nog dat ik een keer ’s ochtends wakker werd en tranen in mijn ogen kreeg van het bericht dat Van der Laan was overspoeld met lieve reacties op zijn stijlvolle brief waarin hij zijn dood aankondigde.

Hij hield van Amsterdam. En de Amsterdammers van hem.

Misschien was het mijn Groningse nuchterheid die mij ervan weerhield hem in mijn hart te sluiten. Ik vond hem in eerste instantie een prettige man, leuk en charmant, maar meer niet. Na die brief ging ik anders naar hem kijken.

Het achtuurjournaal bracht in een kort tijdsbestek zijn carrière in beeld, wat prachtig was.

De nieuwslezeres zei plechtig: “Voor zijn ambtswoning aan de Herengracht groeit langzaam een bloemenzee.”

Bij het laatste woord schoot ik vol. Een bloemenzee is immers het grootste eerbetoon dat het volk aan een hoger geplaatste kan geven, aanspoelend als een omhelzing, van gelijken.

“Dat het de lieve stad blijft die het is,” zei hij bij Zomergasten op de vraag wat hij voor de stad wenste.

Barcelona had Cruijff als Verlosser. Wij, Amsterdam, hadden Van der Laan.

Cruijff zei dat hij de strijd met de dood ging winnen. Eberhard danste met hem (de dood bedoel ik, niet met Cruijff). Gelukkig werd zijn lijden wel zichtbaar. Wij leden met hem mee. Hij werd onze vader, onze zoon. Hij had met gemak volle kerken kunnen trekken.

De goeien gaan eerst, zei de mevrouw van de bloemenstal, met een zwaar Amsterdams accent. Ze had hem nog wat meer tijd gegund, met zijn gezin.

Die bloemenzee, ik kom er maar niet los van. En ook het applaus voor zijn woning nog niet zo lang geleden. Liefde in het openbaar. De hippies hadden gelijk.

We hebben ook onze goede kanten, als mens. Dat is zowel hoopvol als ontroerend.

Misschien heeft Eberhard onbedoeld wel een punt gezet achter de tijd van de ratio. Hij was verliefd op zijn stad immers. Op een stad, wie doet nou zoiets?

Hij was een volkskunstenaar. Een romanticus.

Dat hij nooit vergeten mag worden.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.