Patatas bravas

Afgelopen maandag strandden we bij Pacific Parc in het Westerpark, na een kleine wandeling ergens in de buurt van een winderig Spaarnwoude.

Er was gelukkig in al die jaren niet veel veranderd in de West Pacific. Sommige tenten veranderen het interieur zo vaak dat je er nooit aan kan wennen. Ik kwam er geregeld met mijn dochter Vera die maar al te graag de twee wenteltrappen op en afging, terwijl ik af en toe naar haar zwaaide met een biertje voor mijn neus. Nu zat ze schuin tegenover me, naast haar broertje en kreeg de pubertijd al vat op haar.

Links was een kroeskindje in de weer met de lichte stoppelpluisjes op de donkere kruin van haar vader die onverstoord een slokje bier nam (vaasje), even verderop ging een vader staan die ritmisch bewoog op de muziek om de baby die voor hem in een tuigje hing in slaap te wiegen. Ook hij nam af en toe een slokje bier (ook een vaasje). Het sterkte me in de gedachte dat ik er destijds goed aan had gedaan met Vera hier helemaal heen te fietsen.

Goeie muziek ook. Ouwe platen uit de jaren 50 en 60. Het volume was precies goed: hard genoeg om er op mee te knikken en zacht genoeg om je buren te kunnen verstaan.

Een knappe serveerster met zwart haar en een zeer laag decolleté zette twee chocomelk, een vaasje bier en een witte wijn op tafel. Een andere bediende rangschikte de houten blokken van het haardvuur zodat die beter gingen branden. De kinderen kwamen af en toe terug om kleren uit te trekken omdat ze het zo warm hadden van het rennen. V. wilde dat bij de tafel doen, maar omdat ze al borsten krijgt, moest ze dat van haar moeder in de wc’s doen. Ik dacht dat het nog wel kon, zo groot zijn ze nog niet, het waren eerder gewelfde pogingen. Wellicht had mijn coulance te maken met de goede sfeer en de alcohol. Dan overheerst bij mij al gauw het idee dat alles moet kunnen.

Voor ons zaten twee bejaarde heren die grote glazen donker bier voorgeschoteld kregen van waarschijnlijk Belgische komaf. Ik was een beetje jaloers, op die biertjes, ik dronk gewoon Heineken. De man links had een grote witte snor en lachtte af en toe heel hard. Ze knoopten een praatje aan met de laag gedecolleteerde dame.

We bestelden tapas bij die knapperd en informeerden of de kinderen patat konden krijgen. Ze hadden wel patatas bravas, maar daar moest wel stoofvlees bij. Niks veranderd dus, geen enkele souplesse in de menukaart, ook al betrof het hongerige kinderen. Dan maar extra stokbrood. Wij namen nog een rondje, kon ons het schelen.

Ik concludeerde, precies op de helft van het tweede biertje, dat ik me volstrekt gelukkig voelde. Geen Brussel of Cruijff, geen zorgelijke vergezichten of dieptebommen uit het verleden. Er was alleen het nu, en een soort trots, voldaan gevoel.

De opa’s voor ons knoopten nogmaals een gesprek aan met die serveerster en een hand ging op haar schouder. Daarna ging er zelfs een arm om haar middel en werd ze iets naar de tafel getrokken, terwijl ze tegen haar praatten. Ze glimlachte. Het verbaasde me dat ze het liet welgevallen. Maar misschien was ik wel jaloers. Een andere serveerster kwam langs en trok een zorgelijk gezicht toen ze haar collega zag staan met die arm om haar middel van die bejaarde. Tenslotte pakte ze de lege glazen van de tafel en liep naar de kassa. Haar collega die het had gezien ging bij haar staan en informeerde waarschijnlijk of het wel in de haak was, die arm.

De twee heren keken elkaar, zeiden iets en begonnen heel hard te lachen, alsof ze zojuist iemand een enorme poets hadden gebakken. Hun echtgenotes aan de overkant van de tafel keken smalend toe. Die oudjes van tegenwoordig.

 

Dit stukje delen
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.