Onwerkelijk

Terwijl mijn dochter voor me fietst, denk ik terug aan een reportage die ik ooit op tv zag. Over eskimo’s. Ze waren voornamelijk bezig met jagen in smalle bootjes. En naast het jagen deden ze nagenoeg niks. Lummelen, beetje babbelen, dat soort dingen. Het was waarschijnlijk mijn eigen verlangen naar onbekommerdheid die mij deze beelden bezorgde. Ze maakten zich ook niet druk om de tijd, of wanneer je bijvoorbeeld diende te slapen. Dat kwam mede doordat het bijna permanent licht was. Ik zie ze nog in de kajaks stappen (op klaarlichte dag, dacht ik) en dat de voice-over zegt dat het op dat moment twee uur ’s nachts is. Als ze moe zijn, gaan ze slapen, zegt de stem daarna.

Hoe zouden zij zijn omgegaan met Corona? Kunnen we het monster niet beter recht in zijn bek kijken, dan zo schijterig achter de bosjes te duiken? Dat je op de de Dam gaat staan en roept: Kom maar op Corona, hier ben ik, pak me dan! Vuile hufter! Wie denk je wel niet dat je bent?! Hier ben ik, ja hier, ik ben niet bang voor de dood of het eventuele beddentekort op de IC!

Het is oorlog. Elke dag op het nieuws het aantal doden van die dag, al is het niet helemaal duidelijk of het van die dag is, of van gisteren of eergisteren, of het weekend, al dan niet cumulatief of exponentieel. En of het gewone sterfte betreft of oversterfte.. Laten we dat niet meer doen, alsjeblieft, dat cijferterrorisme. Ik heb me in ieder geval voorgenomen zo min mogelijk nieuws tot me te nemen. In plaats daarvan fantaseer ik van cafés of terrasjes waar je op gepaste afstand van elkaar aan je bier kan lurken. Laten we daar veel aandacht aan besteden, net zoals supermarkten dat doen, hoe we weer door kunnen leven voordat al het leven stil komt te staan. Waar is de anderhalve meter-bar als je hem nodig hebt? Horeca verzin iets, plant een nieuwe deur in de voorgevel, bouw de zitplaatsen en terrasjes om, laat robots het eten (en biertjes) bezorgen, wees creatief, wij steunen jullie, jullie kunnen dit. En laat de scholen a.u.b weer open, kinderen worden nauwelijks geraakt, opa en oma moeten ze niet ophalen van school, dat dan weer niet.

Ik las dat een Italiaanse priester zijn beademing aan een jonger persoon gunde en uiteindelijk zelf overleed. Freek de Jonge verklaarde dat hij hetzelfde zou doen. De beademing aan jonger iemand gunnen bedoel ik, niet dat doodgaan. Dat soort nobelheid hebben we nu nodig, niet een roep om 3000 IC-bedden, of 4.000 ic-bedden. Stel een grens en maak daarna harde maar begrijpelijke keuzes. Kies voor het leven. Wees een kerel, of een wijf.

The only thing we have to fear, is fear itself.

 

Geplaatst in column | Getagged , , | Reacties uitgeschakeld voor Onwerkelijk

Windjammer

Gisteren fietste ik rond een uur of elf met een gordijnrail in mijn rechterhand naar het huis waar mijn kinderen straks (ook) gaan wonen. Het was heerlijk rustig op straat, een van de weinige voordelen van de slimme opsluiting.

In het huis aangekomen vloekte ik nadat mijn wijsvinger een kriebel onder mijn neus had weggeveegd voordat ik mijn handen had gewassen aangezien ik in die doe-het-zelf zaak was geweest. Het is opmerkelijk hoe dat nu zijn intrede heeft gedaan in het bewustzijn. Ik heb het ook met films die je kijkt, of boeken die je leest, allemaal zo pre-corona dat het eigenlijk niet meer leuk is.

Toen de jaloezie hing en ik een lange pauze nam, las ik een buurtkrant van hoogstaand niveau: IJ-opener, een artikel over een fenomenaal zeilschip: de windjammer. Ik klom er meteen van in de pen, waarom weet ik niet precies, wellicht omdat mijn brein zo nu en dan een oppepper nodig heeft. En het was ook lekker ver weg, jaren dertig van de vorige eeuw namelijk en doorspekt met heerlijke zelfstandige naamwoorden: salpeter, Padua, Kruzenstern.

Ik miste mijn broer toen ik de jaloezie ophing. Klussen is met hem verbonden en met mijn vader, beide hebben twee rechterhanden, ik gewoon een linker en een rechter. Zij zijn daar en ik ben hier.

In het artikel staat een stuk over een verschrikkelijke storm. De kapitein zegt erover: de wind was immens. Het woei niet langer in de betekenis van het woord. In plaats daarvan leek het of de atmosfeer in stukken werd gescheurd. (..) Op dat moment was ik er voor het eerst zeker van dat God bestond, oneindig machtig en tegelijk vergevingsgezind.

De woorden van de kapitein van de windjammer deden me denken aan de microbiologische storm van nu.

Het jammer in windjammer wijst waarschijnlijk niet naar het gejammer van de wind door de tuigage van het schip, maar naar de Engelse term jam, wat doordouwen betekent. Ik wilde eerst zeggen dat het jammer is dat het geen jammer is, maar dat is wellicht te flauw. Doordouwen lijkt me ook prima om mee te besluiten.

Virtuele hugs. We zullen doordouwen.

Geplaatst in column | Getagged , , , | Reacties uitgeschakeld voor Windjammer

Zwijn

‘Knuffelpolitie,’ zei ik toen ik rond half acht ’s avonds de deur openzwaaide van de kamer van mijn dochter. ‘O god,’ zei ze, ‘ben je weer emotioneel?’ ‘Ja,’ zei ik terwijl we elkaar een knuffel gaven, ‘ik heb al drie keer gehuild vandaag’. ‘Emotioneel zwijn..’ zei ze. We schoten allebei prompt in de lach, ik kletste er zelfs bij op mijn dij. ‘Dat heb ik al een hele tijd tegen je willen zeggen,’ zei ze giechelend. ‘Jeetje’, zei ik, ‘ik ga hier een stukje over schrijven!’

’s Ochtends las ik wat berichten van vrienden op Facebook aan de ontbijttafel en ineens greep het me bij mijn strot hoe erg dit allemaal is, dat iedereen elkaar mist. Ik werd er erg verdrietig van. In het pre-corona tijdperk was familie en vriendschap een concept waar je in je hoofd veilig mee kon jongleren, en nu het besmet is moet je er juist aan denken.

Ik permitteerde me vandaag 1 ritje met de fiets samen met V. We reden dezelfde route als zaterdag, zigzaggend langs onze al dan niet besmette medemensen. Net als zaterdag gingen we bij hetzelfde plekje aan de waterkant zitten en genoten we van de zon en de koude wind. We speelden met takjes en het kabbelende water. Zware vrachtschepen met gekke namen gleden ons voorbij. We zeiden niet veel. Ik concentreerde me op de rietstengel in mijn hand en de coronastress werd voor het eerst die dag naar de achtergrond gedreven, ook net als zaterdag. ‘Love you,’ zei ik tegen V. ‘Love you to,’ zei ze. ‘Rare tijden zijn dit hè?’ Ze knikte.

Vlak voor we ons plekje hadden bereikt, in een lange afdaling, voelde ik hetzelfde als vanochtend bij de koffie. Het gemis. En mijn ogen werden weer vochtig. Gelukkig had V. een voorsprong, ik wil haar niet ongerust maken. Ik bedacht me dat ik altijd kon zeggen dat ik last had van de koude wind als ze ernaar zou vragen.

En vanavond op de bank bij de persconferentie van het A-team had ik ook last van tegenwind, bij Grapperhaus om precies te zijn, kun je nagaan. Je kon zien dat hij ook moeite had met alles, net als wij, terwijl hij met een beetje fantasie door zou kunnen gaan voor een dodelijke kooivechter. Hij speelde het net wat minder goed dan bijvoorbeeld Rutte maar werd daardoor des te menselijker. De zorg werd dan wel geprezen, dezelfde politici zijn ook verantwoordelijk voor de kaalslag in die vitale tak van onze samenleving. Ik trok de kleinste dicht tegen me aan en we hielden elkaar stevig vast.

De persconferentie vloeide over in de DWDD en ik vreesde voor de vierde keer tegenwind te krijgen toen Waylon samen met Willeke Alberti en Wibi Soerjadi het lied Samen Zijn ten gehore bracht. Ik hield het gemakkelijk droog gelukkig, met dank aan mijn esthetische grenzen.

Daarna ging ik bij mijn dochter kijken hoe het nu zat met de taak van Aardrijkskunde en vertelde ik haar dat ik vandaag drie keer gehuild had. En toen noemde ze me dus een emotioneel zwijn.

Hou moed mensen, het kan even duren, we gaan dit varkentje ook wassen.

Geplaatst in column | Getagged , , | Reacties uitgeschakeld voor Zwijn

Knuffelloos

Ik dwaal af en toe wezenloos door het huis. Wat ga ik doen? Een potje schaken met de kleine? Een vuurwerkbril inleveren bij een school omdat daar om gevraagd werd? Maar dan moet ik naar buiten en is het dan niet druk bij die school?

Hatsjoe! Sorry, ik nieste twee keer. De eerste keer vrij in de lucht en de tweede in mijn elleboog. Op mijn leeftijd reageer je niet meer zo snel.

Ik weet niet welke liedjes in uw hoofd momenteel te beluisteren zijn, in de mijne gaat het heen en weer tussen Alleen de vogels vliegen van Oost naar West Berlijn en 15 miljoen mensen op dat kleine stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde.

Dat vogellied hoor ik als ik naar de binnentuin staar en de vogels benijd die onbekommerd aan het doen zijn wat ze altijd doen. Nestjes bouwen bijvoorbeeld.

Dat andere lied schiet door mijn hoofd als ik op internet berichtgeving zie van de burgerlijke ongehoorzaamheid die dit weekend in bossen en stranden opsteekt als terugkerend onkruid. Brabantse ic-artsen huilden toen ze die beelden zagen.

Gisteren las Tommy Wieringa een prachtige column voor bij Mundo met ook aandacht voor de stilte die gepaard gaat met deze crisis. Vond ik een goed punt. Talkshows zonder publiek bijvoorbeeld, ik vind het wel fijn zonder klapvee. Minder auto’s, ook prima, om maar wat te noemen. Op jezelf teruggeworpen worden, kwam ook langs. Dat valt niet voor iedereen mee: Ben ik dat?? Help!

Leven tussen hoop en vrees, zo voelt het voortdurend. Juist nu we lijden mogen we elkaar niet lichamelijk troosten. Hoe zielig is dat? Arme wij.

En vanochtend lag er een verdrietig briefje in de brievenbus. Buren die we niet kennen hebben een doodgeboren kindje die ze niet kunnen begraven op de reguliere manier. Nu willen ze de afscheidsceremonie houden in de binnentuin en vragen daar begrip voor. Ik kreeg er natte ogen van.

Gisteren stond ik bij de kassa van de Albert Heijn. Voor me was een stel aan het afrekenen dat alleen oog voor elkaar had en niet voor de anderhalve Corona meter. Ze waren verliefd en konden niet stoppen met glimlachen. Een vrouw die haar boodschappen aan het inpakken was, zei met felle ogen dat de jongen afstand moest houden. Sorry, zei hij nonchalant. Straks wordt uit voorzorg verliefdheid nog verboden, want daar ga je elkaar juist van aanraken.

We zijn aliens geworden op onze eigen planeet. Ik geef bij deze iedereen van harte science-fiction knuffels. Nou niet iedereen natuurlijk, bij wijze van spreken.

Geplaatst in column | Getagged , , | Reacties uitgeschakeld voor Knuffelloos

Kern

‘Het is vooral de naam hè,’ hoor ik naast me en ik zie nog een lichte schouderophaling erbij van de vrouw. Ze zegt het tegen een vriendin of zus. Beide zijn klein van stuk, bejaard en gaan zo te zien wekelijks naar de kapper voor hun grijze krulletjes. De vriendin of zus mompelt wat, die is niet zeker van haar zaak.

We zijn in het Drents Museum in Assen, mijn moeder en ik. Er is een tentoonstelling van schilderijen over het Drenthse landschap. Mijn moeder is ook Drenths: Zuidlaren.

Net voordat die vrouw zei: ’t is vooral de naam hè, dacht ik: wauw.. Mijn ogen gingen namelijk van schilderij naar schilderij, van idylle naar idylle totdat ik een man zag, een boer op een akker die met een fakkel iets op de grond in de fik steekt. Die donkerte met dat felle warme licht, alsof iemand voor mijn neus een lucifer afsteekt, zo levendig komt het bij me binnen. Ik kijk om me heen waar mijn moeder is, die is er toch niet voorbij gelopen? Boven het schilderij staat, precies waar ik op hoopte, dat het een Van Gogh is, de nieuwste aankoop van het museum. Ik had toevallig de week ervoor gehoord dat er een Van Gogh was aangekocht maar ik wist niet welk schilderij dat was.

‘Ja,’ zegt mijn moeder, ‘die had ik al gezien’, als ik haar aanspreek. Dat zal de Drentse nuchterheid wel zijn, denk ik bij mezelf.

Terwijl ik verder loop, tolt het contrast tussen mijn ervaring en die van de vrouw nog in me na. Vooral omdat me de vriendelijkheid in het Noorden me zo was opgevallen de laatste weken en nu deze ontnuchterende.. ja hoe noem je dat ook al weer? Ik kan er niet opkomen om eerlijk te zijn. Statusallergie misschien?

En wat zouden onze reacties zijn geweest als er een bordje naast had gehangen met ‘schilder onbekend’? Ik hou er maar over op, straks ga ik nog zeggen dat smaken verschillen.

De volgende dag fiets ik samen met mijn vader een rondje door het natte Groningse landschap. We fietsen door zijn jeugd, rondom Slochteren. We komen nog langs het huis van mijn grootouders en zijn ouders waar hij zelf later ook ging wonen. ‘Ja, das war einmal,’ zegt hij nuchter maar ook licht weemoedig.

Een paar kilometer verder zegt hij: ‘Dat is ook een mooi kerkje.’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘opa en oma liggen daar ook toch?’ ‘Ja,’ zegt hij. Het is vreemd te beseffen dat ik naast mijn vader fiets, terwijl zijn vader verderop begraven ligt en dat ik op een dag wellicht ook met mijn zoon precies hetzelfde meemaak. Het zou me niks verbazen als hij net zoiets denkt als ik. We fietsen zwijgend verder.

Bij Harkstede scheidden onze wegen. Hij slaat linksaf, ik ga rechtdoor. Ik moet nog zo’n 8 kilometer. Na een kwartier kan ik bijna niet meer, met mijn vader ging het allemaal toch een stuk makkelijker.

Toen ik een paar weken geleden belde met een vriend dat ik weer even dicht bij mijn ouders was om tot rust te komen, had hij gezegd: ‘Ja, je ouders, dat is toch de kern van alles.’

Geplaatst in column | Getagged , , | Reacties uitgeschakeld voor Kern