Open

‘Kijk papa,’ zei mijn zoontje op het schoolplein, ‘we deden een spel. Je kreeg een blaadje op je rug en daar kon je dan een compliment op schrijven.’

Hij had het blaadje aan de bovenkant vast waar ook een strook plakband zat. De tekstkant hield hij voor zijn borst, zodat ik de complimenten niet kon zien.

‘Oh, wat leuk,’ zei ik.

‘Ja, maar ik kreeg maar vier complimenten,’ zei hij, ‘en sommigen kregen wel tien. R. had zelfs veertien.’

‘Oh, ja dat snap ik dat je dat niet leuk vindt, maar dat zal wel toeval zijn toch dat jij er maar 4 hebt?’

Ondertussen slikte ik de ontroering weg die in mij opborrelde. Vier maar? Wat waren dat voor barbaren in zijn klas?!

‘Ja, dat denk ik, ik stond ook achteraan in de rij,” zei hij.

Ik was weer wat opgelucht, ondanks dat het natuurlijk niet om de kwantiteit zou moeten gaan.

Nu liet hij de voorkant zien van de complimenten die hij voor ging lezen:

T. is grapig. dat moet met twee p’s trouwens. Je bent heel open. Dat vind ik het mooiste compliment,’ zei hij heel gedreven, ‘die is van V. Je kan heel goed in tekenen,’ ging hij verder, ‘dat moet zijn je bent goed in tekenen, maar goed. Je bent lief en gaat grapige dingen doen.’

Was ik weer ontroerd.

Open? Werd daarmee openhartigheid bedoeld of het hart op de tong hebben? En was dit wat Baudet bedoelde met linkse indoctrinatie op de scholen?

Ik kom nog deels uit de tijd dat geslotenheid een deugd was. Je zei niet tegen een vriendje op het schoolplein dat het zo fijn was dat hij zo open was. Ik laat het over aan uw eigen fantasie wat dan de reactie zou zijn.

Je zou kunnen zeggen dat we leerden om oesters te zijn. Krijg die krengen maar weer eens open.

Ik gaf mijn zoon een kus op zijn hoofd. We gingen naar huis om wat te eten.

Terwijl we hand in hand naar huis liepen dacht ik verder over het briefje op de rug. Of we dat massaal moeten gaan toepassen, op het werk of thuis. Ik wierp de gedachte weer weg, massaal, van dat woord word ik al moe. Sporadisch, veel beter.

Maar mocht u binnenkort een rare gast zien op de Dam met een A4-tje op zijn rug, schrijf er dan wat aardigs op. Een beetje schelden mag ook, als u dat oplucht. Bedankt alvast.

—–

Het voorgaande had ik een paar weken gelden al geschreven. En min of meer afgeschreven.

Het toeval wil dat ik een paar dagen geleden in een afgelegen supermarkt was. De caissière, een man, ouder dan ik, was aan het telefoneren terwijl ik de broodjes op het rubber legde.

‘Ja, dat snap ik,” zei hij, “daag, scheetje.”

Hij hing op. Scheetje? dacht ik nog.

“Sorry hoor,” zei hij. “Maakt niet uit,” zei ik. “Ja,” ging hij verder waarbij hij me recht aankeek, “mijn vrouw heeft een hartstilstand gehad, vandaar.”

Ik schrok. En tegelijk dacht ik terug aan mijn zoon. “Jeetje,” zei ik, “eh.. ligt ze in het ziekenhuis?” Ik had laatst gelezen dat het niet zoveel uitmaakt wat je op dat moment zegt, zolang het maar enigszins binnen de context is.

“Ze lag al in het ziekenhuis,” zei hij, “maar toch, het gaat dus niet helemaal lekker.”

Een andere klant legde zijn waar op de band. “Ja dat snap ik. Beterschap,” zei ik tegen de openhartige man van de kassa. “Hartelijk bedankt,” zei hij.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.