Onderweg 8

Groningen – Delft

Een jongedame voor me belt met haar moeder over haar zoon die een weekend blijft logeren. Het is de eerste keer dat zij zonder hem een weekend weg gaat. Ze ziet er flitsend uit. Knalrode lippenstift, koperrood haar, blauwe oogschaduw en een witte trui. Ze straalt van oor tot oor. De grijze lucht buiten klaart er zelfs van op.

In haar vrolijkheid schuilt iets gevaarlijks, iets uitdagends. Misschien heeft ze haar kind eraan te danken, het zou me niets verbazen. Ze heeft haar oortjes ingedaan en haar ogen kijken nu dromerig naar buiten. Af en toe lijkt ze op een meedogenloze jager.

Naast me zit een jong Duits meisje een boek te lezen. Schooldag Met Verrassingen heet het huidige hoofdstuk. Haar vader zit schuin tegenover ons. Zijn zoon, haar broertje, zit in kleermakerszit op zijn schoot. Hij en zijn vader dragen dezelfde bril.

Bij binnenkomst in de coupé zat een Surinaamse vrouw met een rode vlecht in haar haar, patat te eten. Met Joppiesaus als ik me niet vergis. Ik las toevallig vandaag in de krant dat Nederland steeds meer gekke smaakcombinaties gaat waarderen. Dit omdat suiker niet meer in is. Men heeft daarom zijn toevlucht gezocht in groenten, aldus een expert.

De kleermaker is in slaap gevallen. Hij heeft een dwarrel op zijn voorhoofd zoals we dat vroeger zeiden. Geen idee of het correct Nederlands is. Laat onverlet dat dwarrel een prachtig woord is. Overbodig te vermelden dat ik toch aan Twarres moet denken bij het woord dwarrel.

Fensterscheibe lees ik naast me. Het Duits heeft eigenlijk alleen maar mooie woorden.

Het zonlicht schijnt precies op het gezicht van mijn overbuurbrouw. Haar bleke huid krijgt er nog meer bravoure door. Ze is een brutaal schilderij, afgezien van de yoghurtdrank die ze nu drinkt.

De vrouw van het patatje heeft een donkere tattoo van een vlinder op haar schouder.

Ik besef me dat ik op deze manier, met dit schrijven, de realiteit kan beteugelen in plaats van me ertegen te verzetten. 1-0 voor mezelf. Ik ben de grote vastlegger.

Het Duitse meisje is bij haar vader gaan zitten. Haar plek werd ingenomen door een jongedame die zich meteen op haar boek stortte. Van Rose Timmermans? Ik kan het niet goed zien. Ah, Rose Tremain, zie ik nu.

De zwaartekracht wint het bijna van de spierkracht in het geval van de kleermaker. Zijn hoofd ligt zowat in het gangpad.

We passeren net een aantal lama’s. Doet me denken aan een verhaal van Kuifje. En aan Frank Rijkaard natuurlijk.

De dame van het patat eet nu rijstwafels. De geur van aardappel is lekkerder dan rijst. Of ligt dat aan de bereidingswijze? Frituurvet versus, ja versus wat eigenlijk? Maakt ook niet uit, het was nu al lekker met al die f-en en v-en.

Twee kauwtjes pikken etensresten weg tussen de ribbels van de blindegeleidestrook op het perron van Zwolle. Zwart op wit.

De kleermaker is gaan gamen. De patat- en rijstwafelmevrouw is gaan pitten. Haar hoofd steunt op haar pols waar ook een tattoo zit.

Het eerste slachtoffer van de dame tegenover mij is ook bekend: ik ben vergeten over te stappen in Zwolle.

Iets anders. Zonder sneeuw geeft de winter een wat treurige aanblik, zeker als het bewolkt is. Ik ben nog op zoek naar de juiste metafoor voor dit jaargetijde zonder sneeuw en zonder zon. Zodra ik hem heb, zal ik u op de hoogte stellen. Het ziet eruit als..

een geliefde die van je wegloopt?

Nee, dat is te dramatisch. Een kale kip misschien?

Hoe dan ook, in Rotterdam stapte ik uit. Er was nog zoveel te vertellen onderweg dat het me totaal verlamde.

Mensen zijn alinea’s.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.