Onderweg 3

In de bus van Kampen naar Zwolle.

Voor me zitten twee donkere dames, allebei opgestoken kroeshaar. Links heeft goudkleurige oorbellen, de rechter zilverkleurige. Dan weet u dat.

Het is buiten gaan miezeren. Beach House op de oren.

De linkerdame zat net op Instagram, ik kon alles zien. Het gaat snel, veel video. Het lijken me leuke dames, al kan ik dat niet weten. Ze glimlachen vaak. En ze ruiken naar kokos. Thierry Baudet heeft niks met deze dames te maken, toch moest ik aan hem denken. Hij komt wel vaker ongevraagd mijn gedachten binnen. Laatst droomde ik dat hij een roman had geschreven.

Links naast me aan de andere kant van het gangpad zit een fotomodel van een jongeman.

We moeten in Zwolle een eind van de bushalte naar het station lopen. Het fotomodel loopt nu voor me met een vouwfiets te zeulen. Hij helt er helemaal van naar links. Zal wel stuk zijn die fiets, hoop ik voor hem, want lopen met een fiets in de hand is niet wat je zegt heel slim. Of is hij het equivalent van een dom blondje?

De trein naar Groningen staat rustig stil en is aardig leeg. Ik had onderweg borrelnootjes gekocht, tegen de honger. In deze Giro dagen gaan mijn gedachten dan meestal terug naar Erik Breukink met de moeder aller hongerklops.

Er werd net omgeroepen dat we in de trein zitten naar Groningen en dat er prima op tijd is vertrokken. De omroepster had een niet al te fraai accent, met een chagrijnige knauw op het einde. Desondanks voelt het altijd goed te reizen naar mijn roots. Het weer klaart ook meteen op.

Ik las net op een elektriciteitshuisje naast het spoor in grote blokletters: HERO. Eromheen was het roze. Dat was vast voor Dumoulin bedoeld.

Een man voor me is als sinds vertrek aan het bellen. Hij switcht steeds tussen Engels en Nederlands. Waar zou hij vandaan komen? Hij zei net: “I shaved it all off”. Hij doelde op zijn haar.

Ik dacht terug aan Almere, hoe de trein door die buurt reed die nog steeds niet af leek. Hoe lang duurt het wel niet voordat een stad, een echte stad wordt? Vijfhonderd jaar? De planologen zouden eerst de eiken moeten planten en dan een tijdje moeten wachten met bouwen. Eerst het groen, dan het grijs.

Er stond een ooievaar in een lichtgroen weiland, bestreken door de avondzon. Hij pikte net naar iets toen ik keek. Een eind verderop reed een tractor. Naast het lichtgroen, was het donkergroen. Ik weet het, ik had een foto moeten maken.

Moss op de oren. Ook goed.

Assen. Het station blijft maar verbouwd worden. Arm station. Ze is net een jongedame die maar naar de plastisch chirurg blijft gaan.

Thuis. Bij moeders.

Alles is therapie, zoveel is me nu wel duidelijk. Ronald Goedemondt was op tv. Krom van het lachen.

Toerisme is het nieuwe roken, zie ik net. Vlieland is de hoop. Amsterdam not. Kwestie van kiezen. Wat wil je precies? Haal de façade weg.

—-

We gingen naar Leeuwarden.

Bij de benzinepomp vlogen zwaluwen heen en weer van hun nestjes in het plafond. Prachtige vogels. Zomers getjilp.

In Leeuwarden naar een expo over taal. Gelukkig niet alleen over het Fries, maar over alle talen.

Op een bankje gezeten in het park waarvan de ijzeren rugleuning heel irritant trilde om de 5 seconden. Waarschijnlijk om zwervers te pesten. Welke eikel bedenkt zoiets?

Ik maakte een foto in een ruit boven een deur. Een man achter mij zag het en ging uitleggen aan zijn vrouw wat ik deed. Vervolgens gingen ze ook foto’s maken op dezelfde manier als ik. Meerdere, met een smartphone. Duitsers. Geen Japanners. Ik wilde ze wel slaan.

Een mooie donkere dame liep langs aan de overkant, ze kon alleen niet overweg met haar hoge hakken, waardoor het wat ordinair werd.

‘Kankermooi’ hoorde ik een jongeman zeggen. Hij keek wat bedwelmd uit zijn ogen. Het verbaasde me, want ik dacht dat die term vooral in Amsterdam werd gebruikt, daar had ik het recent nog gehoord van een rokend meisje op straat. Kennelijk is het gebruik ervan regionaal besmettelijk.

Thuis. Nooit bij stil gestaan dat ik dus twee thuizen heb. Chinees gehaald.

Ik sneed de buik van de loempia open, deed er wat Ketjap in, net als mijn vader vroeger, en ik was binnen een paar happen weer in onze oude straat, in de zelfgebouwde keuken, aan de tafel. Kwam vooral door de knapperige korst. Heerlijk. Zonder dollen de lekkerste loempia die ik ooit heb gegeten.

Terugreis.

Een wat oudere man naast me heeft ruzie met de afvalbak die zich onder zijn uitgeklapte tafeltje bevindt. Op het klaptafeltje prijkt een veel te grote laptop. Hij dronk Albert Heijn classic cola, met patat (die die at). Het rook, moet ik toegeven, eerst naar loempia.

“En eh.. Kop d’r veur. Zo zeggen we dat in Groningen,” zei mijn vader toen hij wegging, een uurtje daarvoor om me op te beuren. “Da’s een mooie,” zei ik, “ik zal hem opschrijven.”

Een bui op de ramen. Ik werd wakker van het getik. Rechts zijn de ramen nat, aan mijn kant niet. We passeren ondertussen Hoogeveen. Ik doe mijn ogen weer dicht.

Zwolle. Het is bewolkt.

Een man geheel gekleed in het wit komt de coupé binnen. Hij lijkt op Tommy Wieringa. Drie seconden later is de hele coupé vol. Achterin spreekt een jongen Duits, veel te hard. Hij heeft het over sokken.

Een vader en zoon zitten tegenover me. Beide zijn druk met hun telefoons. “Ik wil ook 4G,” zegt de jongen. Ze stappen uit in Lelystad, maar komen plots weer terug. “Een halte te vroeg,” zegt de vader tegen mij. Ik lach terug.

Volgens mij is die kale gast toch de heer Wieringa, nu ik een glimp van zijn gezicht opving in het raam.

Almere. Overgestapt. Of het Tommy was, zal ik nooit meer te weten komen.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.