Move

Het lag onderin het trappenhuis. Het zag er donkergrijs en gebruikt uit. Met de punt van m’n schoen veegde ik het een eindje opzij. Het behield dezelfde vorm; gekruist als benen na een dodelijke val van een flat in een speelfim.

Er lag veel stof, en een leeg blikje sportranja. Nogmaals gaf ik het condoom een veegje. Ik dacht hoe lang het geleden was dat ik een condoom in het wild had zien liggen. Ergens in een bosje bij het Paterswoldse Meer? In een zomer, met veel gegiechel.

Vanuit het taalcentrum kwamen de woorden ‘vuile naald’ aanzetten. En kort daarop het dubbelzinnige ‘spuiten’.

Ongelooflijk, dacht ik, ze hebben daar, of achter die deur waar ik geen sleutel van heb, staan krikken. Tenminste, ik nam aan dat je daar niet op de grond gaat liggen krikken. De hoge servicekosten die ik ga betalen voorzien kennelijk niet in het schoonschrobben van het keldergedeelte.

Ik liep door naar de Doutroux-achtige bergruimte. Wanneer zouden ze het gedaan hebben? Overdag? In de pauze van school? Of deden onze nieuwe buren het hier?
Ongelooflijk dat ik hier ga wonen, dacht ik.
Smerig.

Anderzijds; waar was de tijd dat ik heel stiekem van bil ging in een portiek? Is die tijd er wel ooit geweest dat ik het zo graag wilde doen, zelfs in een vieze betonnen kelder?
Misschien was Dinges wel te porren om het eens te proberen in de kelder. Dat dacht ik onderaan de trap. Bovenaan de trap was het condoom een brief op poten geworden aan de vereniging van eigenaren dat er cameratoezicht diende te komen in de portieken en dat de lampen gemaakt moesten worden! Straks kruipt mijn dochter naar beneden en hapt ze erin!

Ongelooflijk dat ik hier ga wonen, dacht ik maar weer eens.

In het gemoedelijke Amsterdam Zuid zal je dat niet gebeuren. Daar gebeurt zo weinig dat je het bijna een ghetto zou kunnen noemen voor welgestelden die een broertje dood hebben aan de harde werkelijkheid van de grote stad. Nee hier in het centrum, centrum-oost om precies te zijn, is het te doen, daar zie je tenminste de allochtonen, eh ik bedoel, daar zie je tenminste allochtonen. En gekken. En alcoholisten. En parkeerplekken. En portiekdeuren die niet goed sluiten.

Op een bord boven de ingang naar de kelder staat: gelieve geen fietsen te plaatsen. Er staan er twee, achter de diezelfde deur naast de trap staat er nog eentje plus een kinderfietsje met een geel zadel. Ik dacht aan de brief van de v.v.e. die in de brievenbus lag dat de fietsen volgende week worden verwijderd als ze er nog staan. Ook slap natuurlijk om er niet ‘verboden fietsen te plaatsen’ neer te zetten. Dan krijg je dit soort gedooggedoe.

Echt ongelooflijk eigenlijk dat ik hier ga wonen.

En lelijk ook nog, van buiten, deze huizen. Het type begin jaren tachtig beton waarvan ik altijd heb gezegd dat ik er nooit wilde wonen. Voor geen goud. Liever een oud huis, met houten kraakvloeren en muizen waar je nooit van afkwam. Nooit in een betonblok. Met condooms in de kelders. Waar dochters in kunnen happen.

Maar afijn, wel weer goed voor een stukje, deze move.

Dit bericht is geplaatst in column. Bookmark de permalink.