Kern

‘Het is vooral de naam hè,’ hoor ik naast me en ik zie nog een lichte schouderophaling erbij van de vrouw. Ze zegt het tegen een vriendin of zus. Beide zijn klein van stuk, bejaard en gaan zo te zien wekelijks naar de kapper voor hun grijze krulletjes. De vriendin of zus mompelt wat, die is niet zeker van haar zaak.

We zijn in het Drents Museum in Assen, mijn moeder en ik. Er is een tentoonstelling van schilderijen over het Drenthse landschap. Mijn moeder is ook Drenths: Zuidlaren.

Net voordat die vrouw zei: ’t is vooral de naam hè, dacht ik: wauw.. Mijn ogen gingen namelijk van schilderij naar schilderij, van idylle naar idylle totdat ik een man zag, een boer op een akker die met een fakkel iets op de grond in de fik steekt. Die donkerte met dat felle warme licht, alsof iemand voor mijn neus een lucifer afsteekt, zo levendig komt het bij me binnen. Ik kijk om me heen waar mijn moeder is, die is er toch niet voorbij gelopen? Boven het schilderij staat, precies waar ik op hoopte, dat het een Van Gogh is, de nieuwste aankoop van het museum. Ik had toevallig de week ervoor gehoord dat er een Van Gogh was aangekocht maar ik wist niet welk schilderij dat was.

‘Ja,’ zegt mijn moeder, ‘die had ik al gezien’, als ik haar aanspreek. Dat zal de Drentse nuchterheid wel zijn, denk ik bij mezelf.

Terwijl ik verder loop, tolt het contrast tussen mijn ervaring en die van de vrouw nog in me na. Vooral omdat me de vriendelijkheid in het Noorden me zo was opgevallen de laatste weken en nu deze ontnuchterende.. ja hoe noem je dat ook al weer? Ik kan er niet opkomen om eerlijk te zijn. Statusallergie misschien?

En wat zouden onze reacties zijn geweest als er een bordje naast had gehangen met ‘schilder onbekend’? Ik hou er maar over op, straks ga ik nog zeggen dat smaken verschillen.

De volgende dag fiets ik samen met mijn vader een rondje door het natte Groningse landschap. We fietsen door zijn jeugd, rondom Slochteren. We komen nog langs het huis van mijn grootouders en zijn ouders waar hij zelf later ook ging wonen. ‘Ja, das war einmal,’ zegt hij nuchter maar ook licht weemoedig.

Een paar kilometer verder zegt hij: ‘Dat is ook een mooi kerkje.’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘opa en oma liggen daar ook toch?’ ‘Ja,’ zegt hij. Het is vreemd te beseffen dat ik naast mijn vader fiets, terwijl zijn vader verderop begraven ligt en dat ik op een dag wellicht ook met mijn zoon precies hetzelfde meemaak. Het zou me niks verbazen als hij net zoiets denkt als ik. We fietsen zwijgend verder.

Bij Harkstede scheidden onze wegen. Hij slaat linksaf, ik ga rechtdoor. Ik moet nog zo’n 8 kilometer. Na een kwartier kan ik bijna niet meer, met mijn vader ging het allemaal toch een stuk makkelijker.

Toen ik een paar weken geleden belde met een vriend dat ik weer even dicht bij mijn ouders was om tot rust te komen, had hij gezegd: ‘Ja, je ouders, dat is toch de kern van alles.’

Dit stukje delen
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.