Gewiekst

Tijdens een pauze tuurde ik in de verte vanaf de 8e verdieping. Het was kraakhelder weer. Twee windmolens stonden achter elkaar, kilometers ver weg en de wieken draaiden kalm hun rondjes. Ze gingen dan weer synchroon en dan weer niet. Na een tijdje leek het of de wieken buigzaam waren als menselijke armen, twee vrouwelijke reuzen die als Balinese dansers het publiek probeerden te bedwelmen.

In sommige posities deden de wieken me denken aan de ster in de steranijs met zoethout-thee die ik gisteren had gedronken. Zoethout is in mijn brein onlosmakelijk verbonden met een drogist in Haren waar ik zo’n stokje voor het eerst kocht. Een slokje gisteren en ik stond weer bij de balie en hoe die enge kale man een blik pakte achter hem op een plank. Maar dat terzijde.

Enige tijd later verscheen er opeens een kraai op het dak. Hij zat op de rand, precies in het kader van twee spijlen van een hek. Zijn trekjes, zijn stijl, was beslist presidentieel te noemen. Echt een coole gast. Mooiste moment: hij huppelde een paar keer en opeens zag hij mij staan, achter de deur. Hij hoekte zijn kop wat omhoog en zei in het Kraais; Hé gast, what’s up? Ik glimlachte terug. Ik kan ook geen Kraais.

Op de terugweg, in het Rembrandtpark, zag ik een dame aan het water zitten. Ze zat niet met de billen op de grond, waarschijnlijk omdat het gras nat was. Haar handen lagen met de rug op haar bovenbenen en ze had haar ogen dicht. Ze laafde zich aan het zonlicht dat pal op haar scheen tussen de bomen door. Sommige mensen zijn kennelijk koudbloedig, dacht ik terwijl ik doorfietste. Even verderop stond een groot groen standbeeld van een fantasiedier mij aan te kijken met een ietwat stoute blik.

In het Vondelpark fietste ik een groepje toeristen voorbij die een reiger zaten te fotograferen. Hij, of zij, zou er geld voor kunnen vragen. Bij een reiger vraag ik me altijd of hij nou arrogant is en altijd wegvliegt omdat hij een hekel aan ons heeft of dat hij in voortdurende doodsangst verkeerd.

De volgende dag reed ik in de auto naar Amsterdam Noord. Ik luisterde naar een lied van Modest Mouse:

In this place that I call home
My brain’s the cliff, and my heart’s the bitter buffalo
My heart’s the bitter buffalo

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.