Getroebleerd

Door het herfstige raam van de kroeg zie ik een jong stel buiten staan. Het is net 23:00 uur geweest. Zij steekt haar tweede sigaret aan. Hij is een joint aan het draaien, terwijl hij staat, met een angstaanjagend gemak. Hun kinderwagen staat dicht bij het raam, uit de wind en de regen. Het kind, duidelijk nog piepjong, slaapt een vredige slaap. De moeder checkt iets in de tas dat vlak voor de kinderwagen staat. De jongen, de vader vermoedelijk, praat met een jongen naast hem die al een lange joint aan het roken is.

Ik wilde eigenlijk iets heel anders schrijven, iets over mezelf, maar de aanblik van die pasgeborene in die warme dekentjes, belicht door de lampen van de kroeg, namen mijn gedachten meteen in beslag.

Het was bijna religieus. Dat slapende kindje, die jonge ouders. De belichting. De herfst. De contrasterende rock and roll.

Maar vooral de toekomst van dat kindje natuurlijk. Met hun blowende ouders. Het is nog maar maandag. Wat doen ze op een vrijdag? Zouden ze hun kindje niet vergeten eten te geven? Of zou het huilen hen meteen weer terugbrengen naar de realiteit? Verrek, we hebben een kind!

Ik maak me waarschijnlijk druk om niks. Want zodra het stopte met regenen, gingen ze al weer weg. Met de kinderwagen. En dat gebeurde al voordat ik de eerste alinea van dit stukje af had.

Op dezelfde plaats staat nu een jongen met een witte racefiets en een rood hangslot.

Tegenover mij, op zo’n vijf meter, zitten twee jonge meiden in een fauteuil. De linker legt haar hoofd op de schouder van de ander. Ze praten non-stop. Ze zijn duidelijk verliefd op elkaar. En bang voor stiltes. Ik krijg er in ieder geval een glimlach van op mijn mond.

Ik weet bij God niet meer wat ik zelf kwijt wilde, de werkelijkheid heeft het weer van me gewonnen, gelukkig. Zorgen over het kindeke Jezus maak ik me ook niet meer. Ik bestel nog een biertje denk ik.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.