De kuil

Mijn zoon heeft een stuk strand meegenomen, het ligt op de rode plastic bank naast hem. Hij kijkt naar twee YouTubers die Amerikaanse spullen uit een tas halen, waarvan ik zei dat het stom is, maar ik ben te lui om de iPad uit zijn handen te trekken. Vakantie immers en mijn gedachten stonden net in zijn vrij.

Het zand komt uit zijn broekzakken die zich er ongemerkt mee vulden toen hij zich vanmiddag bij een duin naar beneden liet rollen, een keer of tien. Ogen dicht, want het waaide hard, vanuit zee. Ik moedigde hem aan vanachter een schlemielige rietkraag. Het helmgras achter mij leek op haar dat bij de kapper geföhnd werd. Ik trok mijn capuchon strakker om mijn koude hoofd. Een stuk verder achter de duinen lag het minder aantrekkelijke deel van Noord-Holland dat op mij vooral een praktische indruk maakte. Mooie kleurrijke bollenvelden, daar niet van, maar o zo rechtlijnig. Handel voor de boeren, exotisch voor toeristen. Duitsers met name, viel me op.

Telkens werd T.’s val gestuit door een kuil op een kwart van het dal. “Papa, help, deze kuil moet dicht,” riep hij. “Die is te diep!,” riep ik terug tegen de wind in. En als ie niet zo diep was geweest, had ik waarschijnlijk hetzelfde gezegd. Ik zat achter het riet, hij rolde van de duin, het waaide hard, er was een handjevol mensen op het strand, met honden, schilderachtige wolken kwamen aangestormd, de golven schuimden en bulderden: geen paard dat mij nog van deze stek zou kunnen trekken. Het was goed zo.

“Pa-hap!” riep hij getergd. “Hij is te diep schat!” riep ik,  “je moet er gewoon omheen rollen!”

De keer erna omzeilde hij het gat, maar er zat geen snelheid meer in zijn lijfje waardoor hij nauwelijks verder kwam dan daarvoor. Ik riep zo hard als ik kon: “Goed zo! Goed gedaan!” Hoe vaak heb ik dat niet tegen mijn kinderen gezegd? Te vaak? “Oh,” bracht hij teleurgesteld uit toen hij zag waar hij was geëindigd. Hij besloot nog hoger te beginnen met de rol. Logisch.

Straks word ik een duin dacht ik even later en vinden ze mijn stoffelijk overschot na jaren weer terug tijdens een nieuwe geologische periode, waarvan ik de naam niet kan weten. Zouden ze zich dan verbazen over mijn capuchon? Waarom zat die zo strak om mijn kop?

Het zal de zee zijn die me zo fossiel laat denken. Het eeuwige af en aan van het water tegen het land. Een hand die houvast zoekt en zich weer gewonnen geeft. En weer. Het tart de fantasie. Het is kijken naar een film zonder script.

Terug in het huisje naast T. op de bank, denk ik aan de prachtige stukjes van Martin Bril die ik aan het lezen ben over dorpen, gehuchten en kruispunten in ons land, hoe jammer het is dat hij niet naast me zit om te vertellen over die duin bij Callantsoog en dat rollende joch.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.