Campingblues 10

Vandaag maakten we flauwe grappen op het strand. Het waren variaties op jus d’orange maar dan met menselijke vleeswaar. Claude de Sac was een van de favorieten. Op deze kluchtige manier probeerde ik de kinderen nog wat van de Franse taal te leren. Onderweg naar de kust hadden de vele borden langs de weg gediend als lesmateriaal. Ze scoorden allebei een dikke onvoldoende op de vertaling. Vandaar de les op het strand.

Op de terugweg naar de camping, zei de kleinste een paar keer: “Duurt lang” en “Saai” op zeurderige toon. Ik kon me niet herinneren dat ik dat zo zei vroeger, zonder onderwerp. Taal evolueert. Maar goed ook.

Frankrijk blijft Frankrijk. Crêpes, wafels, kleine hondjes, antique, bijoux en kunst. Vandaag bezocht ik nog bij toeval een expositie van een kunstenaar in het station van Houlgate omdat daar een openbaar toilet was. Sculpturen in brons. Veel vrouwelijke vormen en figuren. Ik vond er weinig aan. Te rond en te glad. Enigszins bezwaard omdat ik zo snel weer ging, verliet ik de ruimte met een ‘merci et au revoir’. Buiten maakte ik een close up van een doorgeroest stuk hek naast het station waar je je vingers aan open zou kunnen halen. Je zou er bijna een verband in zien.

Ik liep net de buurman bijna tegen het lijf toen ik van de wc kwam. Hij had de shortcut genomen, ik de normale route. We zeiden niks tegen elkaar. Hij liep in zijn onderbroek en had een toilettas in zijn hand.

Even later, terwijl ik dit zit te typen, laat iemand in de tent van de buurman een harde scheet. Er wordt gelachen. Geen idee wie hem had gelaten. Het leek me de buurman zelf.

Op de eerste dag op de camping beleefden we meteen een hoogtepunt. Terwijl we bezig waren met de inrichting van de tent zagen we schuin tegenover ons een wat oudere dame het grindpad oplopen die net een grote hijs nam van haar sigaret. Ze droeg een zwart t-shirt, die mij iets te lang leek, met een doodshoofd erop van glitters. “Wauw”, zei ik opgetogen, “goeie camping.” Naast de camper van de vrouw lag een wit/grijs langharig hondje op een paars kleedje.

“Duurt lang,” zei T. nogmaals. Ik had maar niet gezegd dat we vanavond waren omgereden omdat de benzine op was. Tien kilometer buiten de route vonden we een onbemand benzinestation. Terwijl de benzine de tank in dreef zag ik hoe een rode auto gewassen werd door een borstelige machine. De eigenaar van de auto, een stoere jongeman, stond er zo’n tien meter achter en rookte een e-sigaret. Hij was druk bezig op zijn telefoon. Het was vooral fraai dat die machine zo goed zichtbaar was, er stonden geen muren omheen zoals ik gewend was. De wind dreef een deel van het gesproeide water ver weg, tot aan de parkeerplaats en de supermarkt die erachter stond. De tank was vol, helaas. Het had voor mij wel wat langer mogen duren, de rode auto was nog lang niet klaar.

Het is nu 00:19 uur. De buurman snurkt. Ik neem mijn laatste slokje wijn.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.