Schuilen

Ik schuilde onder een luifel van een shoarmatent in Amsterdam West. De wind sloeg de regen alle kanten op alsof hij ermee aan het spelen was.

Van dichtbij hoorde ik een gek geluid. Een jongedame in een rolstoel bleek het geluid te maken. Ze had een fraaie bos rode krullen, haar begeleider stond achter haar, die was iets aan het doen op haar telefoon. De begeleidster was jong en keek vol levensvreugde uit haar ogen. Toen de dame in de rolstoel nogmaals een onverstaanbaar geluid produceerde, begon ze liefdevol iets in het oor van de roodharige te fluisteren. Het gesprek leek te gaan over de regen die ons kortstondig teisterde. Op het moment dat ze zo dichtbij kwam met die glimlach wist ik dat ik te maken had met een engel.

Het luchtte me op de engel aan het werk te zien in deze tijden waarin we gedwongen zijn om ook het lijden te aanvaarden.

Ik lijk wel een dominee.

Of dat nog niet genoeg was zag ik die avond een stukje van de serie Ambulance Down Under. Een verpleegster bezocht een man die was geholpen aan een triggerfinger. De vinger voelde alsof hij er afgeschoten was, zei hij steeds. Zij kon niet veel voor hem doen maar hielp hem toch aan een pijnstiller. Toen ze wegging vroeg ze of ze nog iets anders voor hem kon doen. De man zei, lichtelijke beschaamd: misschien twee dollar voor een fles melk morgenochtend? De ambulancedame antwoordde: Twee dollar? Twee dollar heb ik wel voor u.

Ik had verwacht dat ze zou zeggen dat ze geen geld aan patiënten kon geven want dan kon ze wel aan de gang blijven en het paste niet in het beleid etc. Het was me duidelijk dat deze dame familie was van de rolstoelbegeleider. De hartverwarmende soort.

De arme stakker zei tegen haar: you’re a kind woman.

Ondertussen ben ik naar mijn moeder in Groningen gereisd omdat ze kwakkelt met haar gezondheid. In plaats dat zij mij kopjes koffie inschenkt en eten maakt, net als vroeger, doe ik dat nu voor haar. De rollen zijn omgedraaid. Met humor (de mijne welteverstaan) en verhalen uit de oude doos houden we ons staande, al dan niet aan de rollator.

De volgende ochtend kreeg ik een bericht dat de moeder van een goede vriend was overleden..

In mijn jeugd ging ik vaak bij die vriend logeren, net buiten Smilde. Magische tijden. In mijn herinnering was het daar altijd volop zomer, zowel in als buiten het huis.

Diezelfde middag belde ik die vriend om hem een hart onder de riem te steken. Hij vertelde dat zijn ouders mij hoog hadden zitten, wat wederzijds was.

De volgende dag ging ik met de auto richting Winsum om er even uit te zijn en om wat foto’s te maken. Ik stopte bij een roestige brug en nadat ik wat foto’s gemaakt had reed ik verder de desolate provincie in. Op de radio klonk opeens het nummer Vienna van Ultravox en ik was meteen in de kamer van hem, om en nabij 1980. Hoe we samen naar dat nummer luisterden, hij had volgens mij de single gekocht. Dat begin met die elektronische drum, ook magisch.

Ik werd er melancholisch van en zette prompt de auto aan de kant om te gaan luisteren en schrijven.

Het is allemaal wat.

Zoals gewoonlijk had ik geen idee hoe te eindigen totdat mijn moeder vandaag een versje van vroeger hardop zei:

Mien laiverd, mien schraiverd, mien suuker in de thee. Wel zol die smokken als ik het nait dee?

Geplaatst in column | Getagged , , , | Reacties uitgeschakeld voor Schuilen

Poeh

Laatst las ik een artikel dat je van je huisdieren ook ziek kan worden. Zo is een mond of bek van een hond geen steriele omgeving, om het mild uit te drukken. Ik moest daaraan denken omdat een mevrouw met kort haar en een alpinopet even verderop met een klein hondje zit te tongzoenen. Het is zo onsmakelijk dat ik mezelf moet bedwingen niet op de mevrouw af te stappen en haar te vertellen van dat artikel.

Ik zit op het terras van het Blauwe Theehuis in het Vondelpark. Deze is nu in handen van Brouwerij ’t IJ. Het personeel is net zo belabberd als zo’n tien jaar geleden, de laatste keer dat ik er was. Zo wordt hier een biertje geschonken zonder deze af te romen met een spatel zodat het schuim niet over je handen rolt als je je glas aanpakt. Kennelijk zijn ze daar tegenwoordig te beroerd voor.

Wat maakt het allemaal uit, houd ik mezelf voor, het is een heerlijke nazomerdag en ik zit in het zonnetje aan een biertje in deze gekke tijd. Laat ik vooral proberen te genieten. Op de achtergrond klinkt Golden Brown van The Stranglers. Zojuist passeert een jongeman met het haar van een vrouwelijk fotomodel. Hij komt terug met drie IJwitten.

Voor het eerst in maanden ben ik weer aan het schrijven, krijg ik weer een beetje grip op de realiteit.

Er zijn veel wespen. De zon schijnt nu van links in mijn gezicht.

Een stel verderop is gaan staan om elkaar lang en innig te omhelzen. Als ze klaar zijn veegt de dame tranen uit haar ogen. Ik denk terug aan de begrafenis van de vader van een vriendin. Ze hield een mooie speech hoorde ik, dat ze haar vader wel weer zou zien in de korenvelden. Beide hebben en hadden een innige band met de natuur.

B-52’s klinkt bij de bar. En Iggy Pop.

Ik snap eigenlijk niet dat mensen dat kunnen, speechen bij de begrafenis van een van je ouders. Wellicht is dat anders als het echt gebeurt maar dat weet ik gelukkig nog niet.

Ondanks de truttigheid van de meeste mensen om me heen, is het mooi te zien dat men zich het bier laat welgevallen. Ondanks alles.

Ik vraag me af of ik nog een IJwit zal nemen. Nadeel van een biertje is dat je ruggengraat in de week wordt gelegd.

Iets anders: vanochtend was ik met mijn dochter in de RAI voor een coronatest. Nooit geweten dat een wattenstaafje zo diep je neus in kan, ik zag hem al bijna weer uit het achterhoofd van mijn dochter komen, zo ver. Het vreemde was dat niet iedereen een mondkapje droeg die getest werd. De kans lijkt me namelijk best groot in zo’n teststraat om het virus op te lopen. Ik hou me vast aan het sterftecijfer (0,7%?) als een statistisch anker om de angst te beteugelen.

Als u zich inmiddels afvraagt waar de titel op slaat dan moet u dat zien in het perspectief dat ik op het terras ging zitten puur om mezelf te verwennen na een nogal pijnlijke periode (die nog niet over is maar ik ben op de goede weg) wat me tevens een goede aangelegenheid lijkt om dit verhaal af te sluiten.

 

Geplaatst in column | Getagged , , , | Reacties uitgeschakeld voor Poeh

Klodder

Laatst reed ik een stukje in de auto met mijn zoon op zoek naar een rustige plek om de benen te strekken. Ik reed naar het Zuidoosten toe en sloeg op goed geluk rechtsaf bij een stoplicht, na een kwartiertje rijden.

We hadden geluk, er was een meer met een park eromheen. Ik was er nog nooit geweest. En het was er ook lekker rustig. Na een kwartiertje belandden we bij een bruggetje waarop ik quasi filosofisch in de verte tuurde. Het water waar ik overheen tuurde had niet veel om het lijf, het was eigenlijk de vraag waarom er een brug overheen was gespannen, met een kleine inspanning sprong je er zo overheen. Maar goed, niet iedereen is zo sportief begaafd als ik. Het is eigenlijk een raadsel waarom ik geen topsporter ben geworden, maar dat is weer een heel ander verhaal.

Waar was ik gebleven? Oh ja. Ik stond daar dus op die brug en mijn zoon kwam naast me staan. Om uit het hooggebergte van mijn gedachten te komen spuugde ik in het water.

‘Wat was dat?’ zei mijn zoon.
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.
‘Ik zag iets,’ zei hij.
‘Oh dat, ik spuugde,’ zei ik en spuugde nog een keer om de daad bij het woord te voegen.

Hij keek mij vrolijk aan, verzamelde speeksel in zijn mond (mijn mond typte ik per ongeluk in, wat wel wonderlijk zou zijn geweest als hij speeksel uit mijn mond zou verzamelen, maar dat terzijde..) en spuugde een klodder in het water. Toegegeven, die van hem was groter en daardoor mooier dan die van mij. Dat zei ik ook tegen hem (ik baalde er een beetje van natuurlijk) en vroeg hem meteen hoe dat kwam. Hij zei dat hij dat niet wist en spuugde nog een keer. Ook weer beter dan die van mij. Ik kwam er maar bekaaid van af.

De klodders rimpelden het kalme water in uitdijende cirkels. We keken elkaar vrolijk aan. Wie deed ons wat?

Mijn gedachten gingen uit naar een kort interview met de tragikomische Marcel van Roosmalen waarin hij vertelde dat hij jaloers was op modelvaders die genoegen namen met een gewoon bestaan omdat hij altijd maar iets moest doen, zoals columns en boeken schrijven. Ik glimlachte en keek nogmaals naar T.  Ik schrijf hier gewoon een stukje over, dacht ik stoutmoedig, dat ik met T. klodders naar beneden spuugde (omhoog is ook lastig) en dat me dat gelukkig maakte, daar met hem te staan, ondanks alle ellende.

Geplaatst in column | Getagged , , , | Reacties uitgeschakeld voor Klodder

Zedkvhmo

In de cultklassieker Zen en de kunst van het Motoronderhoud begint een hoofdstuk met: De zon is op. Ik moest lachen toen ik het las, omdat ik het net zo interpreteerde als: de koek is op. Ik las het boek voor het eerst toen ik een jaar of twintig was. Vrienden in Delft lazen het ook. Het gekke was dat ik zeker wist dat ik het boek nooit had uitgelezen, wat tevens de reden was om het nogmaals te lezen. Of beter, dat ik het meteen met een vreugdesprongetje uit een kast griste in een kringloopwinkel te Groningen. Voor de goede orde, dat sprongetje was figuurlijk bedoeld.

In het boek wordt verslag gedaan van een rit op de motor door Amerika. De hoofdpersoon reist samen met zijn zoon, die achterop zit, hij is elf jaar oud. De vader filosofeert er obsessief op los. Hij is opgenomen geweest in een gesticht en behandeld met shock-therapie. De relatie met zijn zoon komt steeds meer onder spanning te staan naarmate het boek vordert.

Ik kan me zelfs herinneren dat A. in Delft nog tegen me zei dat ze het raar vond dat ik het niet uit had gelezen omdat zij juist wilde weten hoe het afliep met de zoon en zijn gekke vader. Volgens mij had ik gezegd dat ik dat deel van het boek niet zo interessant vond.

Op de laatste bladzijde bleek dat ik het verhaal de eerste keer ook al had uitgelezen. Mijn geheugen, en ook de uwe, is zo onbetrouwbaar als de pest. Of corona zo u wilt. Toch begreep ik het boek beter dan toen, althans dat denk ik te weten.

Gisteravond las ik in de bundel van Martin Bril genaamd De zon Schijnt (ik typte per ongeluk De zon schijt) een stukje over de Top 2000 waarin hij zich afvraagt waarom er ook zoveel herinnerd moet worden. Jeugdsentiment kon je maar beter loslaten, wilde hij maar zeggen. En geldt dat ook voor jeugdwroeging vroeg ik me af?

In Zedkvhmo stelt de schrijver dat Kwaliteit de basis is van alles. Hij heeft tevens een broertje dood aan Aristoteles.

En dan te bedenken dat de aanleiding voor dit stuk een traan was die uit mijn oog viel toen ik een appje stuurde naar mijn zoon (9 jaar) hoe het ging en of hij goed geslapen had, in het andere huis, bij zijn moeder.

Het mooie aan het einde van het boek is dat het goed afloopt met de zoon en de vader. Ze rijden goed geluimd het boek uit. In het licht van de traan die ik liet, ben ik geneigd te zeggen dat liefde de basis is van alles, of dat filosofie liefde niet moet uitsluiten. En dat A. gelijk had.

‘Ja goed, ik heb lekker geslapen,’ appte mijn zoontje terug, ‘gaat het ook goed met jou?’

Geplaatst in column | Getagged , , , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Zedkvhmo

Val

Eergisteren reed ik van Amsterdam naar mijn moeder in Groningen. De hemel was staalblauw, zoals de weerman van de NOS altijd zegt, nou ja, hij zegt ‘staalblauwe hemel’ maar okay.

Op de radio luisterde ik naar een uitzending over de einde der tijden gevoelens van radicale gelovigen. Over het kosmische goed en kwaad, wat mij deed denken aan films met superhelden die het aan de stok krijgen met kwade genieën die de wereld willen overnemen.

De bermen aan weerszijden van de weg waren een pracht voor het oog. Ze stonden vol met gele struiken waarvan ik de naam niet weet. Aan de bomen ontvouwden zich de blaadjes op schuchtere wijze. Het geel verdrong het groen zelfs op bepaalde stukken.

Toen de uitzending al te zeer inzoomde op de spanningen die zo’n simplistisch wereldbeeld met zich meebrengt, drukte ik op de zoekknop naar wat luchtige muziek.

In de buurt van de afslag Zwolle of Groningen stond een weiland vol met zwart-witte koeien. Als enige in de wijde omtrek. De kleuren spatten er zo krachtig van af door de zon dat het maar goed was dat er geen schildersezel naast me zat. Ik keek nog om of ik niet ergens kon stoppen, maar zag daar vanaf.

Na de flauwe bocht naar links en de korte naar rechts, probeerde ik onder woorden te brengen wat er nu precies aan de hand was in mijn hoofd. Ik kwam er trouwens ook achter dat ik stelselmatig te hard reed, ik was die 100km stikstofregel helemaal vergeten.

Een vrije val, daar leek het op. Mijn brein probeerde ankers uit te gooien op zoek naar houvast, naar referentiekaders zoals Spider-man naar muren voor zijn spinnendraden. En zo kwam ik tot de conclusie dat de vrije val eindigde in onbekommerde zomerse dagen uit mijn prille jeugd, ergens in de jaren zeventig, slenterend over straat, schoppend tegen een steentje. Het contrast kon niet groter zijn met nu, vandaar de onrust in mijn kop.

Troost, moest ik opeens aan denken. Wat is dat eigenlijk? Van schoonheid, althans waar ik schoonheid in zie, word ik blij en meestal maak ik er een foto van, en is dat dan troostend? Maar dat is heel iets anders als een arm om je schouder als je huilt. Daarover gesproken, ik vertelde mijn zus dat ik ideeën had voor een knuffelmachine, een apparaat waarmee je een dierbare kan omarmen, weliswaar op afstand maar toch. En een plexiglazen bijenkorf als alternatief voor theaterstoelen. Mijn zus zei dat ik zo’n knuffelmachine samen met mijn broer moest gaan maken.

Er waren opeens momenten in de auto dat ik het voor elkaar kreeg Corona uit mijn hoofd te filteren zodat het jaren zeventig gevoel alleen overbleef. Momenten, maar toch.

Reed ik wel rechtdoor, horizontaal bedoel ik? Was de weg niet loodrecht naar beneden als je goed keek? Was er eigenlijk wel verschil?

Tijd om aan het touwtje van de parachute te trekken, Groningen naderde.

Hou vol, de zon schijnt.

Geplaatst in column | Getagged , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Val